GEZWEL
“GEZWEL” is een geldig woord.
17
Scrabble punten
18
Wordfeud
6
letters
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- medisch een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
Woorden van < 6 letters: GEZWEL
37 woorden gevonden
Woorden van 5 letters 7
- zegeleen middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
- wezel(roofdieren) bepaald soort zoogdier, Mustela nivales zeer klein en schuw dier uit de familie der marterachtigen (Mustelidae
- zweeg
- gezelmakker, reisgenoot
- zwelg
- wegel(verouderd) pad, weggetje
- zweel
Woorden van 4 letters 15
- leegzonder inhoud
- lege
- gele
- ezel(onevenhoevigen) bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus , met lange oren dat zeer eigenwijs is
- geel(kleur) primaire kleur zoals die van licht met een golflengte van ca. 570 - 582 nm
- zegekeer dat je wint
- gleedunne, gesleten plek in textiel
- weegdunne buitenwand van hout of steen
- egel(insecteneters) bepaald soort zoogdier, Erinaceus europaeus , vooral bekend om zijn stekelvacht en zijn gewoonte om zich bij gevaar op te rollenDe wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus.
- weel(waterbeheer) water dat in een ronddraaiend omlaag stroomt
- weze
- zwel
- zeelsterke brede band waarmee men iets voorttrekt of vastbindt. Arch. (1811)
- zeegbolling van een oppervlak of lijn
- leze
Woorden van 3 letters 10
- wel(waterbeheer) een plaats waar water uit de grond tevoorschijn komt
- weg(verkeer) smalle strook grond voor het verkeer
- zegvoornamelijk als verkleinwoord een uiting van wat men in een vergadering in te brengen heeft
- leghet leggen van eieren
- zee(aardrijkskunde) een uitgestrekt oppervlak zoutwater dat het grootste deel van de aarde bedekt
- leelende
- wee(medisch) pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
- gel(scheikunde) een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
- eeg(initiaalwoord), (afkorting) (elektrotechniek) elektro-encefalogram
- eel
Woorden van 2 letters 5
- weonbeklemtoonde vorm van de eerste persoon meervoud nominatief
- zeclitische vorm van zij; derde persoon vrouwelijk enkelvoud, onderwerp
- el(eenheid), (verouderd) een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 centimeter
- getweede persoon enkelvoud- en meervoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik
- eg(landbouw) (tuinbouw) werktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond door het maken van kleine geultjes